FAQ COVID-19

COVID-19 wordt erkend als een beroepsziekte voor werknemers in bepaalde sectoren. Dit betekent dat zij aanspraak kunnen maken op een vergoeding als zij door de ziekte zijn getroffen en dit door middel van een laboratoriumtest werd gediagnosticeerd (behalve in ernstige uitzonderlijke gevallen).

Over welke werknemers gaat het?

  • werknemers in de gezondheidszorg die een aanzienlijk verhoogd risico lopen op besmetting met het virus (beroepsziektecode 1.404.03);
  • werknemers die werkzaam zijn in cruciale sectoren en essentiële diensten en die daar in de periode van 18 maart tot en met 17 mei 2020 hebben gewerkt (beroepsziektecode 1.404.04).

Zelfstandigen komen hier niet voor in aanmerking aangezien ze niet gedekt worden voor beroepsrisico's (beroepsziekten en arbeidsongevallen) binnen de sociale zekerheid. 

Als u niet tot een van deze categorieën behoort, kunt u nog steeds een schadevergoeding aanvragen bij Fedris, maar om als COVID-19-slachtoffer te worden erkend, moet u bewijzen dat u de ziekte daadwerkelijk hebt opgelopen in de loop van uw professionele activiteiten en niet in andere omstandigheden. 

Fedris is enkel bevoegd voor werknemers uit de privésector en van de provinciale en lokale overheidsdiensten.

Bovendien kan COVID-19, onder welbepaalde omstandigheden, als een arbeidsongeval worden erkend. Werknemers die menen het slachtoffer van een dergelijk ongeval te zijn, moeten dat zo snel mogelijk aan hun werkgever melden. 

Vrijwilligers

In geval van overlijden door COVID-19 wordt een schadevergoeding toegekend aan bepaalde familieleden van het slachtoffer (alleen in geval van besmetting tijdens de periode van 10 maart tot 1 juli 2020).

Vindt u het antwoord op uw vraag NIET in onderstaande FAQ, dan mag u uw vraag stellen aan covid19atfedris.beVoor algemene vragen over het coronavirus vragen we u om geen telefonisch contact op te nemen met een dossierbeheerder. 

Heeft u een aanvraag in verband met COVID-19 ingediend, dan zal Fedris u een dossierbeheerder toewijzen (zie briefwisseling). Vragen over uw persoonlijk dossier, richt u wel aan uw dossierbeheerder. 

U hebt een vraag in verband met...

 

COVID-19 als beroepsrisico: beroepsziekte of arbeidsongeval

Kan COVID-19 erkend worden als beroepsziekte?

Ja,werknemers uit de privésector en de publieke sector die in de periode van de lockdown (van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020) aan het werk waren in de “cruciale sectoren en de essentiële diensten” en die daarbij besmet zijn geraakt met COVID-19 (gediagnosticeerd door middel van een laboratoriumtest) komen in aanmerking voor een schadeloosstelling wegens beroepsziekte. Het gaat specifiek om werknemers die geen telewerk konden verrichten of niet steeds 1,5 meter afstand konden houden door de aard van hun job. Dit geldt ook voor leerlingen en studenten die stage lopen.

Concreet gaat het om loontrekkenden:

  • tewerkgesteld in de gezondheidszorg die een duidelijk verhoogd risico lopen om besmet te worden door het virus (beroepsziektecode 1.404.03);
  • tewerkgesteld in de “cruciale sectoren en de essentiële diensten” die zijn opgenomen in de bijlage van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 (beroepsziektecode 1.404.04).

Zelfstandigen komen hier niet voor in aanmerking aangezien ze niet gedekt worden voor beroepsrisico's (beroepsziekten en arbeidsongevallen) binnen de sociale zekerheid.

Wie niet in deze sectoren werkt, kan eventueel erkend worden via het ‘open systeem’. Deze personen moeten niet alleen blootgesteld zijn aan het beroepsrisico van de ziekte, zij moeten bovendien bewijzen dat de ziekte haar rechtstreekse en determinerende oorzaak vindt in de beroepsuitoefening, d.w.z. dat zij de ziekte daadwerkelijk hebben opgelopen door hun werk. 

De aanvrager hoeft niet aan te geven via welk systeem hij erkend wil worden. Fedris zal dat zelf uitmaken en zo nodig bijkomende vragen stellen.

Belangrijk om te weten is dat in het „open systeem” de werkelijke oorzaak van de ziekte moet worden aangetoond, in het individuele geval van de aanvrager, en niet louter het bestaan van een beroepsrisico op een collectief niveau: de aanvrager zal dus moeten aantonen dat hij COVID-19 wel degelijk in het kader van zijn beroepsactiviteiten heeft opgelopen, rekening houdende met alle feitelijke omstandigheden (zijn gezondheidstoestand, de concrete arbeidsomstandigheden), en niet buiten de werksfeer (bijvoorbeeld tijdens het winkelen, bij het gebruik van het openbaar vervoer of door sociale contacten).

Hij moet met andere woorden niet de mogelijkheid van besmetting in het kader van beroepsactiviteiten aantonen, maar wel de zekerheid dat die besmetting in dat kader heeft plaatsgevonden.

Die zekerheid valt moeilijk aan te tonen, aangezien het virus zich tussen mensen verspreidt via kleine druppels die vrijkomen bij hoesten of niezen; op die manier komt het virus terecht in de lucht, op voorwerpen en oppervlakken en kan het iedereen besmetten die de druppeltjes inademt of op de handen krijgt en nadien zijn mond, neus of ogen aanraakt.

De erkenning van COVID-19 in het raam van de regeling voor beroepsrisico’s kan in sommige gevallen ook overwogen worden in het vergoedingsstelsel voor arbeidsongevallen (zie vraag: "Kan COVID-19 worden erkend als arbeidsongeval?")

Wie komt er in aanmerking voor de erkenning van COVID-19 als beroepsziekte?

Fedris staat in voor de verzekering tegen beroepsziekten van werknemers in de privésector, van stagiairs en van personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (provincies, steden, gemeenten, OCMW’s, intercommunales).

Werknemers uit de privésector en stagiairs kunnen hun aanvraag rechtstreeks bij Fedris indienen.

Personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten moeten hun aanvraag via hun werkgever indienen.

Personeelsleden van andere overheden (federale overheid, Gewesten, Gemeenschappen) worden niet door Fedris verzekerd. Zij moeten hun aanvraag bij hun werkgever (de overheidsdienst) indienen, volgens de voorgeschreven procedure.

Zelfstandigen komen hier niet voor in aanmerking aangezien ze niet gedekt worden voor beroepsrisico’s (beroepsziekten en arbeidsongevallen) binnen de sociale zekerheid.

Let op: ook wie een aanvraag tot schadeloosstelling bij Fedris indient, moet nog steeds een aangifte van arbeidsongeschiktheid indienen bij zijn werkgever en zijn ziekenfonds.

Fedris volgt de evolutie van de epidemie op de voet en zal zijn beleid, indien nodig, bijsturen aan de hand van nieuwe informatie die beschikbaar komt.

Hoe kan men aantonen dat men besmet is tussen 18 maart en 17 mei 2020?

Voor personen die ziek zijn geworden in de periode van 20 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 wordt aanvaard dat zij waarschijnlijk besmet zijn in de periode van de lockdown. De data 20 maart 2020 en 31 mei 2020 werden gekozen omdat ze de wetenschappelijk aanvaarde incubatietijd van de ziekte weerspiegelen, d.w.z. tussen 2 en 14 dagen na blootstelling aan het virus. Concreet betekent dit dat er niet meer dan 14 dagen mogen verstrijken tussen de datum van de laatste daadwerkelijke werkdag buitenshuis (d.w.z. niet telewerken) en het voorkomen van de ziekte.

Is erkenning nog mogelijk bij personen die na 31 mei 2020 ziek zijn geworden?

Ja, personeelsleden met COVID-19 die werkzaam zijn in de gezondheidszorg en die een duidelijk verhoogd risico lopen om besmet te worden door het virus, komen in aanmerking voor schadeloosstelling wegens beroepsziekte als de infectie medisch in verband kan staan met de risicodragende beroepsactiviteit. Deze regeling geldt ook voor leerlingen en studenten die stage lopen.

Let op: De SARS-CoV-2 infectie moet worden aangetoond door middel van een betrouwbare laboratoriumtest. In uitzonderlijke, ernstige gevallen zal de arts van Fedris de diagnose op andere gronden kunnen aanvaarden, bijvoorbeeld op basis van een suggestieve klinische presentatie en een compatibele CT-thorax.

In de huidige context van de COVID-19-pandemie kan een duidelijk verhoogd risico worden aanvaard in de volgende gevallen:

Personeel dat bepaalde activiteiten uitvoert

  • het personeel dat instaat voor het vervoer van patiënten die besmet of mogelijk besmet zijn met het SARS-CoV-2-virus (‘mogelijk besmette patiënten’ zijn personen met nieuwe klachten van een acute bovenste of onderste luchtweginfectie of met verergering van chronische respiratoire klachten);
  • het personeel van triageposten die specifiek zijn opgezet om patiënten te onderzoeken die mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2;
  • personeelsleden die, met het oog op diagnosestelling, onderzoeken uitvoeren of klinische stalen afnemen bij patiënten die mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2;
  • laboranten die manipulaties in open fase uitvoeren met klinische stalen van verdachte of bevestigde gevallen ter analyse van een SARS-CoV-2 besmetting.

Personeel werkzaam in ziekenhuizen en verzorgingsinstellingen

  • in de ziekenhuizen:
    • het personeel werkzaam in spoeddiensten en diensten voor intensieve zorgen;
    • het personeel werkzaam in de diensten voor longziekten en infectieziekten;
    • het personeel werkzaam in andere diensten waar patiënten met COVID-19 zijn opgenomen;
    • personeelsleden die diagnostische of therapeutische handelingen hebben uitgevoerd bij patiënten die besmet of mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2;
  • het personeel werkzaam in andere ziekenhuisdiensten en in verzorgingsinstellingen waar zich een uitbraak van COVID-19 heeft voorgedaan (twee of meer gevallen binnen een periode van maximum twee weken); woonzorgcentra, rusthuizen en collectieve woonvormen voor zieken en personen met een handicap worden gelijkgesteld met verzorgingsinstellingen.

In de voornoemde diensten en instellingen gaat het over het medisch en paramedisch personeel dat patiënten behandelt of verzorgt en het logistiek en schoonmaakpersoneel dat instaat voor onderhoud of reiniging van besmette toestellen of lokalen.

Anderen

Gevallen van COVID-19 bij personeelsleden of stagiairs die patiënten behandelen of verzorgen en die niet onder een van de genoemde categorieën vallen, kunnen voor erkenning in aanmerking komen als de ziekte in verband kan worden gebracht met een gedocumenteerd professioneel contact met een of meer COVID-19-patiënten.

Wie niet in de gezondheidssector werkt en buiten de periode van de lockdown besmet is, kan eventueel erkend worden via het ‘open systeem’. Deze personen moeten niet alleen blootgesteld zijn aan het beroepsrisico van de ziekte, zij moeten bovendien bewijzen dat de ziekte haar rechtstreekse en determinerende oorzaak vindt in de beroepsuitoefening, d.w.z. dat zij de ziekte daadwerkelijk hebben opgelopen door hun werk.

De aanvrager hoeft niet aan te geven via welk systeem hij erkend wil worden. Fedris zal dat zelf uitmaken en zo nodig bijkomende vragen stellen.

Belangrijk om te weten is dat in het „open systeem” de werkelijke oorzaak van de ziekte moet worden aangetoond, in het individuele geval van de aanvrager, en niet louter het bestaan van een beroepsrisico op een collectief niveau: de aanvrager zal dus moeten aantonen dat hij COVID-19 wel degelijk in het kader van zijn beroepsactiviteiten heeft opgelopen, rekening houdende met alle feitelijke omstandigheden (zijn gezondheidstoestand, de concrete arbeidsomstandigheden), en niet buiten de werksfeer (bijvoorbeeld tijdens het winkelen, bij het gebruik van het openbaar vervoer of door sociale contacten).

Hij moet met andere woorden niet de mogelijkheid van besmetting in het kader van beroepsactiviteiten aantonen, maar wel de zekerheid dat die besmetting in dat kader heeft plaatsgevonden.

Die zekerheid valt moeilijk aan te tonen, aangezien het virus zich tussen mensen verspreidt via kleine druppels die vrijkomen bij hoesten of niezen; op die manier komt het virus terecht in de lucht, op voorwerpen en oppervlakken en kan het iedereen besmetten die de druppeltjes inademt of op de handen krijgt en nadien zijn mond, neus of ogen aanraakt.

De erkenning van COVID-19 in het raam van de regeling voor beroepsrisico’s kan in sommige gevallen ook overwogen worden in het vergoedingsstelsel voor arbeidsongevallen (zie vraag: Kan COVID-19 worden erkend als arbeidsongeval?")

Waar heeft iemand recht op bij een erkenning van COVID-19 als beroepsziekte?

Personen bij wie Fedris Covid-19 als een beroepsziekte erkent hebben recht op:

·        Een vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid, op voorwaarde dat deze arbeidsongeschiktheid minstens 15 (kalender)dagen duurt. Voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid heeft de getroffene recht op een dagelijkse vergoeding van 90 procent van het gemiddelde dagbedrag (berekend op basis van het geplafonneerde loon van betrokkene). Het bedrag van de vergoeding aan de getroffen werknemer wordt verminderd met het gewaarborgd loon (dat aan de werkgever wordt terugbetaald) en met de betalingen die het ziekenfonds heeft uitgekeerd.

·        Een terugbetaling van het persoonlijk aandeel van de kosten voor geneeskundige verzorging die verband houden met de erkende beroepsziekte (het zogenaamde remgeld), ongeacht de duur van de (tijdelijke) arbeidsongeschiktheid. De gemaakte onkosten vanaf 120 dagen voorafgaand aan het indienen van de vergoedingsaanvraag kunnen door Fedris terugbetaald worden. 

Let op: geneesmiddelen van categorie D, waarvoor er geen tegemoetkoming van de verplichte ziekteverzekering is (bijvoorbeeld basispijnstillers), kunnen ook door Fedris niet terugbetaald worden.

·        Als er sprake is van blijvende schade kan ook een vergoeding voor blijvende arbeidsongeschiktheid toegekend worden.

In geval van een overlijden naar aanleiding van een besmetting met Covid-19 kunnen bepaalde nabestaanden ook aanspraak maken op vergoedingen.

Waar en hoe moet een vergoedingsaanvraag ingediend worden?

Fedris staat in voor de verzekering tegen beroepsziekten van werknemers in de privésector, van stagiairs en van personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (provincies, steden, gemeenten, OCMW’s, intercommunales).

Werknemers uit de privésector en stagiairs kunnen hun aanvraag rechtstreeks bij Fedris indienen.

Personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten moeten hun aanvraag via hun werkgever indienen.

Personeelsleden van andere overheden (federale overheid, Gewesten, Gemeenschappen) worden niet door Fedris verzekerd. Zij moeten hun aanvraag bij hun werkgever (de overheidsdienst) indienen, volgens de voorgeschreven procedure.

Let op: ook wie een aanvraag tot schadeloosstelling bij Fedris indient, moet nog steeds een aangifte van arbeidsongeschiktheid indienen bij zijn werkgever en zijn ziekenfonds.

Noodzakelijke informatie bij het indienen van een aanvraag tot schadeloosstelling

Personen die in aanmerking komen, hebben er belang bij een aanvraag tot schadeloosstelling in te dienen. Voor een vlotte afhandeling van deze aanvraag is het van groot belang zoveel mogelijk informatie te verschaffen over:

  • de aard van de uitgeoefende beroepsactiviteit, in het bijzonder tijdens de laatste weken voor het optreden van de symptomen;
  • de medische evolutie van de aandoening (bij een verwikkeld verloop met bijvoorbeeld longinfectie: medisch-specialistische verslagen toevoegen);
  • de laboratoriumuitslagen die de infectie door het SARS-CoV-2-virus aantonen; 
  • de duur van de arbeidsongeschiktheid die door de arts werd voorgeschreven.

Let op: De SARS-CoV-2 infectie moet worden aangetoond door middel van een betrouwbare laboratoriumtest. In uitzonderlijke, ernstige gevallen zal de arts van Fedris de diagnose op andere gronden kunnen aanvaarden, bijvoorbeeld op basis van een suggestieve klinische presentatie en een compatibele CT-thorax.

Kan Covid-19 erkend worden als arbeidsongeval?

Onze kennis over het SARS-CoV2-coronavirus dat COVID-19 veroorzaakt, neemt toe: vandaag de dag weten we met zekerheid dat het virus zich van persoon tot persoon verspreidt via kleine druppeltjes die vrijkomen bij hoesten of niezen. Via die druppeltjes belandt het virus in de lucht, op voorwerpen en op oppervlakken. Het virus kan zo elke persoon besmetten die de druppeltjes inademt of ze op de handen krijgt en mond, neus of ogen aanraakt (bron: https://www.info-coronavirus.be/nl/wat-is-het-coronavirus/).

De definitie van een hoogrisicocontact of nauw contact is opgenomen op de site van Sciensano (https://covid-19.sciensano.be/sites/default/files/Covid19/COVID-19_procedure_contact_NL.pdf).

In die zin valt de erkenning van COVID-19 als arbeidsongeval te overwegen in bepaalde beperkte concrete situaties, mits de volgende vier voorwaarden tegelijk zijn vervuld: een plotse gebeurtenis (1), die een letsel heeft veroorzaakt (2) en die optrad tijdens (3) en door het feit van (4) de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. 

Het slachtoffer dat een aanvraag indient voor de erkenning van een arbeidsongeval moet dan bewijs leveren van het plotselinge voorval, het letsel en het feit dat hij bezig was met de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst, en dus onder het gezag van zijn werkgever stond, op het tijdstip van het voorval. 

Als het slachtoffer erin slaagt het bewijs van die drie elementen te leveren, wordt verondersteld dat het letsel verband houdt met het ongeval en dat het wel degelijk wegens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst is dat de plotse gebeurtenis is opgetreden, tenzij de wetsverzekeraar een van die vermoedens kan weerleggen door het bewijs te leveren dat de besmetting niet kan zijn opgelopen tijdens de uitvoering van het werk, bijvoorbeeld door de arbeidsvoorwaarden in dewelke het werk wordt uitgevoerd (strikt respect van de regels van social distancing, telewerk, dragen van persoonlijk beschermingsmateriaal...).

Vanuit technisch oogpunt kan men de uitstoot van ademhalingsdruppeltjes door een besmet persoon (klant, collega of ieder ander persoon waarmee de werknemer in contact komt tijdens de uitvoering van het werk) of het contact met een oppervlak dat met die druppeltjes is bedekt, beschouwen als een plotse gebeurtenis, aangezien dat een in tijd en ruimte afgebakende gebeurtenis betreft, voor zover men die gebeurtenis kan isoleren en kan aanwijzen als de oorsprong van het letsel en voor zover zij optreedt binnen de termijn die momenteel als incubatietijd wordt aanvaard.

Het bewijs van de plotselinge gebeurtenis kan door het slachtoffer met alle mogelijke rechtsmiddelen worden geleverd, met inbegrip van getuigenissen.

Gezien die overwegingen zou het in welbepaalde beperkte gevallen mogelijk zijn te voldoen aan alle voorwaarden die noodzakelijk zijn voor de erkenning van een arbeidsongeval. Om een arbeidsongeval aan te geven, moet het slachtoffer contact opnemen met zijn werkgever om een aangifte in te dienen bij de wetsverzekeraar. 

Bij een weigering door de wetsverzekeraar kan Fedris op vraag van het slachtoffer de oorzaken en de omstandigheden van het ongeval onderzoeken.

Als het slachtoffer niet akkoord gaat met de beslissing van de verzekeringsonderneming of van Fedris, kan het de zaak voorleggen aan de arbeidsrechtbank.

Worden de laboratoriumtesten terugbetaald in geval van een erkenning?

Met betrekking tot beroepsziekten: Het RIZIV voorziet de integrale terugbetaling van deze laboratoriumtesten voor Covid-19, zonder dat er een supplement kan aangerekend worden. Aangezien Fedris in het kader van beroepsziekten enkel het remgeld ten laste neemt, kan in dit geval dus geen terugbetaling door Fedris voorzien worden.

Met betrekking tot arbeidsongevallen: als de erkenning van COVID-19 als arbeidsongeval wordt gevraagd, is de test nodig om de diagnose te stellen, hij houdt dus wel degelijk verband met het arbeidsongeval. De kosten voor de test zullen dus volledig ten laste worden genomen door de wetsverzekeraar (geen tegemoetkoming van het RIZIV).

Echter, als de test wordt uitgevoerd op vraag van een ziekenhuis vooraleer het slachtoffer van een ongeval toegang te geven tot de zorg, zal die test niet ten laste worden genomen door de wetsverzekeraar omdat hij niet nodig is voor de diagnose of voor de behandeling van de restletsels van het ongeval. In dit geval zal de test ten laste worden genomen door het ziekenfonds volgens de voorwaarden voor tenlasteneming vastgelegd door het RIZIV.

 

De vergoedingsaanvraag en de vergoedingen in het kader van de beroepsziekten

Hoe moet een aanvraag verstuurd worden? Per brief, per e-mail of online ?

Gezien de huidige gezondheidssituatie raden we u aan om de aanvragen via e-mail in te dienen met de documenten als bijlage in pdf-formaat via volgend e-mailadres: beroepsziekteatfedris.be

Het is belangrijk om enkel documenten in pdf-formaat van voldoende kwaliteit op te sturen (geen foto’s genomen met een smartphone of iets dergelijks). Alternatieven van onvoldoende kwaliteit of die te ‘zwaar’ zijn zullen wij niet kunnen aanvaarden.

Mogen we u ook vragen, voor de vlotte afhandeling van uw aanvraag, om een aparte pdf te voorzien per document (bijvoorbeeld 1 pdf met het formulier 501, 1 pdf met het formulier 503, 1 pdf met het laboverslag…).

Indien dit niet mogelijk is, blijft het versturen van de formulieren met de post uiteraard een optie.

Is het echt nodig om de aanvraag in de periode van de symptomen te doen?

De aanvraag moet in ieder geval zo snel mogelijk ingediend worden. De maximale terugwerkende kracht voor het terugbetalen van de gezondheidszorgen is 120 dagen vóór het indienen van de aanvraag. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid kan tot 365 dagen voor het indienen van de aanvraag vergoed worden.

Welke arts moet het formulier 503 of 603 invullen? 

Elke betrokken arts mag het medische luik invullen (arbeidsarts, huisarts, specialist…).

Vanaf wanneer wordt de vergoeding betaald?

Wanneer de beroepsziekte een tijdelijke arbeidsongeschiktheid veroorzaakt, heeft de getroffene recht op een vergoeding die ingaat op de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid, op voorwaarde dat de tijdelijke ongeschiktheid ten minste vijftien dagen duurt. De vergoeding die toegekend wordt omwille van tijdelijke arbeidsongeschiktheid kan ten vroegste 365 dagen voor de datum van de aanvraag ingaan.

De vergoeding voor een blijvende arbeidsongeschiktheid kan niet vroeger ingaan dan 120 dagen voor de datum van het indienen van de aanvraag.

Het recht op terugbetaling van geneeskundige verzorging kan eveneens ten vroegste 120 dagen voor de datum van de indiening van de aanvraag toegekend worden.

Wat is een uitbraak en hoe moet ze bewezen worden?

Het personeel werkzaam in andere ziekenhuisdiensten en in verzorgingsinstellingen (zie hierboven) waar zich een uitbraak van COVID-19 heeft voorgedaan (twee of meer gevallen binnen een periode van maximum twee weken) komt in aanmerking voor schadeloosstelling wegens beroepsziekte als de infectie medisch in verband kan staan met de risicodragende beroepsactiviteit. 

Om van een uitbraak te kunnen spreken moeten de 2 gegroepeerde gevallen ‘klanten’ zijn (patiënten, kinderen, bewoners…), anders is er geen sprake van een beroepsrisico. Maar er moet niet bewezen worden hoe de uitbraak begonnen is en wie nu precies wie besmet heeft. Een uitbraak met 2 ‘klanten’ is voldoende.

Het is zeker niet nodig (of zelfs toegelaten) om de namen en/of de laboresultaten van patiënten/bewoners door te geven aan Fedris om een uitbraak te bewijzen. Het volstaat om een attest van de werkgever mee te sturen die de uitbraak bevestigt.

Fedris bekijkt ook de mogelijkheid om gebruik te maken van de informatie van andere instanties, zoals bijvoorbeeld het agentschap Zorg en Gezondheid, in verband met officiële uitbraken. 

Kan iemand die besmet is, maar minder dan 15 dagen arbeidsongeschikt is toch een aanvraag indienen voor een tegemoetkoming in de gezondheidskosten?

Ja. Alleen de vergoeding voor een tijdelijke arbeidsongeschiktheid wordt op voorwaarde van een minimale ongeschiktheidsduur van 15 dagen toegekend. Dat de minimumduur van 15 dagen arbeidsongeschiktheid niet bereikt wordt, belet niet dat het bestaan van een beroepsziekte erkend wordt en ook niet dat de andere schade die ermee gepaard gaat (kosten gezondheidszorg, blijvende arbeidsongeschiktheid, vergoeding naar aanleiding van een overlijden) vergoed wordt.

In geval van een positieve beslissing kunnen de gezondheidszorgen tot 120 dagen vóór het indienen van de aanvraag terugbetaald worden.

 

Wie komt in aanmerking voor vergoeding?

Thuisverpleegkundigen, medewerkers in de gezinszorg en medewerkers in de aanvullende thuiszorg?

Ja, loontrekkenden die in de periode van de lockdown (van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020) aan het werk waren in de “cruciale sectoren en de essentiële diensten” en die daarbij besmet zijn geraakt met COVID-19 (gediagnosticeerd door middel van een laboratoriumtest) komen in aanmerking voor een schadeloosstelling wegens beroepsziekte. Het gaat specifiek om werknemers die geen telewerk konden verrichten of niet steeds 1,5 meter afstand konden houden door de aard van hun job.

Voor besmettingen buiten de periode van de lockdown geldt dat gevallen van COVID-19 bij personeelsleden die patiënten behandelen of verzorgen en die niet onder een van de genoemde categorieën vallen, voor erkenning in aanmerking kunnen komen als de ziekte in verband kan worden gebracht met een gedocumenteerd professioneel contact met een of meer COVID-19-patiënten.

Fedris volgt de evolutie van de epidemie op de voet en zal zijn beleid, indien nodig, bijsturen aan de hand van nieuwe informatie die beschikbaar komt.

Medewerkers uit de gehandicaptenzorg (ambulant en residentieel)?

Ja, loontrekkenden die in de periode van de lockdown (van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020) aan het werk waren in de “cruciale sectoren en de essentiële diensten” en die daarbij besmet zijn geraakt met COVID-19 (gediagnosticeerd door middel van een laboratoriumtest) komen in aanmerking voor een schadeloosstelling wegens beroepsziekte. Het gaat specifiek om werknemers die geen telewerk konden verrichten of niet steeds 1,5 meter afstand konden houden door de aard van hun job. 

Voor besmettingen buiten de periode van de lockdown blijft volgende regeling geldig:

Personeelsleden met COVID-19 die werkzaam zijn in de gezondheidszorg en die een duidelijk verhoogd risico lopen om besmet te worden door het virus, komen in aanmerking voor schadeloosstelling wegens beroepsziekte als de infectie medisch in verband kan staan met de risicodragende beroepsactiviteit. Dit geldt ook voor leerlingen en studenten die stage lopen.

In de huidige context van de COVID-19-pandemie kan een duidelijk verhoogd risico worden aanvaard in de volgende gevallen:

Personeel werkzaam in ziekenhuizen en verzorgingsinstellingen

  • in de ziekenhuizen:
    • het personeel werkzaam in spoeddiensten en diensten voor intensieve zorgen;
    • het personeel werkzaam in de diensten voor longziekten en infectieziekten;
    • het personeel werkzaam in andere diensten waar patiënten met Covid-19 zijn opgenomen;
    • personeelsleden die diagnostische of therapeutische handelingen hebben uitgevoerd bij patiënten  die besmet of mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2;
  • het personeel werkzaam in andere ziekenhuisdiensten en in verzorgingsinstellingen waar zich een uitbraak van COVID-19 heeft voorgedaan (twee of meer gevallen binnen een periode van maximum twee weken); woonzorgcentra, rusthuizen en collectieve woonvormen voor zieken en personen met een handicap worden gelijkgesteld met verzorgingsinstellingen.

Gevallen van COVID-19 bij personeelsleden die patiënten behandelen of verzorgen en die niet onder een van de genoemde categorieën vallen, bijvoorbeeld medewerkers uit de ambulante gehandicaptenzorg, kunnen voor erkenning in aanmerking komen als de ziekte in verband kan worden gebracht met een gedocumenteerd professioneel contact met een of meer COVID-19-patiënten.

Medewerkers uit de bijzondere jeugdzorg (ambulant en residentieel)?

Ja, personeelsleden die in de periode van de lockdown (van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020) aan het werk waren in de “cruciale sectoren en de essentiële diensten” en die daarbij besmet zijn geraakt met COVID-19 (gediagnosticeerd door middel van een laboratoriumtest) komen in aanmerking voor een schadeloosstelling wegens beroepsziekte. Het gaat specifiek om werknemers die geen telewerk konden verrichten of niet steeds 1,5 meter afstand konden houden door de aard van hun job. 

Wie buiten de periode van de lockdown werd besmet, kan eventueel erkend worden via het ‘open systeem’. Deze personen moeten niet alleen blootgesteld zijn aan het beroepsrisico van de ziekte, zij moeten bovendien bewijzen dat de ziekte haar rechtstreekse en determinerende oorzaak vindt in de beroepsuitoefening, d.w.z. dat zij de ziekte daadwerkelijk hebben opgelopen door hun werk. 

De aanvrager hoeft niet aan te geven via welk systeem hij erkend wil worden. Fedris zal dat zelf uitmaken en zo nodig bijkomende vragen stellen.

Belangrijk om te weten is dat in het „open systeem” de werkelijke oorzaak van de ziekte moet worden aangetoond, in het individuele geval van de aanvrager, en niet louter het bestaan van een beroepsrisico op een collectief niveau: de aanvrager zal dus moeten aantonen dat hij COVID-19 wel degelijk in het kader van zijn beroepsactiviteiten heeft opgelopen, rekening houdende met alle feitelijke omstandigheden (zijn gezondheidstoestand, de concrete arbeidsomstandigheden), en niet buiten de werksfeer (bijvoorbeeld tijdens het winkelen, bij het gebruik van het openbaar vervoer of door sociale contacten).

Hij moet met andere woorden niet de mogelijkheid van besmetting in het kader van beroepsactiviteiten aantonen, maar wel de zekerheid dat die besmetting in dat kader heeft plaatsgevonden.

Die zekerheid valt moeilijk aan te tonen, aangezien het virus zich tussen mensen verspreidt via kleine druppels die vrijkomen bij hoesten of niezen; op die manier komt het virus terecht in de lucht, op voorwerpen en oppervlakken en kan het iedereen besmetten die de druppeltjes inademt of op de handen krijgt en nadien zijn mond, neus of ogen aanraakt.

De erkenning van COVID-19 in het raam van de regeling voor beroepsrisico’s kan, voor de gevallen die niet op de lijst van beroepsziekten staan, ook overwogen worden in het vergoedingsstelsel voor arbeidsongevallen. 

Coronavirusbesmetting kan immers ook het gevolg zijn van een plotselinge gebeurtenis, dat wil zeggen een in de tijd beperkt contact met een besmet persoon of een besmet oppervlak binnen de werksfeer. Wie aanspraak wil maken op de erkenning als slachtoffer van een arbeidsongeval, moet het bewijs leveren van het optreden van de plotselinge gebeurtenis, van het letsel en van het feit dat hij wel degelijk aan het werken was, in het kader van zijn arbeidsovereenkomst, en dus onder het gezag van zijn werkgever stond, op het ogenblik van de feiten. 

Als het slachtoffer erin slaagt het bewijs van die drie elementen te leveren, is er een vermoeden dat het letsel verband houdt met het ongeval en dat het wel degelijk wegens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst is dat de plotse gebeurtenis is opgetreden. In dat geval is wel degelijk sprake van een arbeidsongeval; het is aan de wetsverzekeraar om één van de vermoedens te weerleggen.

Concreet moet het slachtoffer aantonen dat hij:

•in contact kwam met een besmet persoon of een besmet oppervlak (gelet op de wijze van besmetting, namelijk via druppeltjes) tijdens de uitvoering van zijn werk, en

•COVID-19 heeft opgelopen, waarbij de datum van objectivering viel binnen de normale incubatieperiode na dat bewuste contact. 

De erkenning als beroepsziekte van een ziekte die niet op de lijst van beroepsziekten staat, vereist dat het slachtoffer aantoont dat die ziekte daadwerkelijk is veroorzaakt door blootstelling aan de schadelijke invloed; de erkenning als arbeidsongeval daarentegen vereist dat het slachtoffer het bestaan van een plotselinge gebeurtenis (contact met het virus) en een letsel (COVID-19) aantoont; er is dan een vermoeden van oorzakelijk verband tussen beide elementen, en dit tot het bewijs van het tegendeel, nl. tot de verzekeraar aantoont dat er zich geen plotselinge gebeurtenis heeft voorgedaan of dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen het letsel en het plotselinge voorval.

Fedris volgt de evolutie van de epidemie op de voet en zal zijn beleid, indien nodig, bijsturen aan de hand van nieuwe informatie die beschikbaar komt.

Medewerkers van centra voor ambulante revalidatie?

Ja, loontrekkenden die in de periode van de lockdown (van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020) aan het werk waren in de “cruciale sectoren en de essentiële diensten” en die daarbij besmet zijn geraakt met COVID-19 (gediagnosticeerd door middel van een laboratoriumtest) komen in aanmerking voor een schadeloosstelling wegens beroepsziekte. Het gaat specifiek om werknemers die geen telewerk konden verrichten of niet steeds 1,5 meter afstand konden houden door de aard van hun job. 

Voor besmettingen buiten de periode van de lockdown geldt dat gevallen van COVID-19 bij personeelsleden die patiënten behandelen of verzorgen en die niet onder een van de genoemde categorieën vallen, bijvoorbeeld medewerkers uit de ambulante gehandicaptenzorg, voor erkenning in aanmerking kunnen komen als de ziekte in verband kan worden gebracht met een gedocumenteerd professioneel contact met een of meer COVID-19-patiënten.

Fedris volgt de evolutie van de epidemie op de voet en zal zijn beleid, indien nodig, bijsturen aan de hand van nieuwe informatie die beschikbaar komt. 

Medewerkers van een medisch secretariaat?

Ja, loontrekkenden die in de periode van de lockdown (van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020) aan het werk waren in de “cruciale sectoren en de essentiële diensten” en die daarbij besmet zijn geraakt met COVID-19 (gediagnosticeerd door middel van een laboratoriumtest) komen in aanmerking voor een schadeloosstelling wegens beroepsziekte. Het gaat specifiek om werknemers die geen telewerk konden verrichten of niet steeds 1,5 meter afstand konden houden door de aard van hun job. 

Voor besmettingen buiten de periode van de lockdown blijft volgende regeling geldig:

Personeelsleden met COVID-19 die werkzaam zijn in de gezondheidszorg en die een duidelijk verhoogd risico lopen om besmet te worden door het virus, komen in aanmerking voor schadeloosstelling wegens beroepsziekte als de infectie medisch in verband kan staan met de risicodragende beroepsactiviteit. Dit geldt ook voor leerlingen en studenten die stage lopen.

In de huidige context van de COVID-19-pandemie kan een duidelijk verhoogd risico worden aanvaard in de volgende gevallen:

Personeel dat bepaalde activiteiten uitvoert

  • het personeel dat instaat voor het vervoer van patiënten die besmet of mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2; (‘mogelijk besmette patiënten’ zijn personen met nieuwe klachten van een acute bovenste of onderste luchtweginfectie of met verergering van chronische respiratoire klachten)
  • het personeel van triageposten die specifiek zijn opgezet om patiënten te onderzoeken die mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2;
  • personeelsleden die, met het oog op diagnosestelling, onderzoeken uitvoeren of klinische stalen afnemen bij patiënten die mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2;
  • laboranten die manipulaties in open fase uitvoeren met klinische stalen van verdachte of bevestigde gevallen ter analyse van een SARS-CoV-2 besmetting.

Personeel werkzaam in ziekenhuizen en verzorgingsinstellingen

  • in de ziekenhuizen:
    • het personeel werkzaam in spoeddiensten en diensten voor intensieve zorgen;
    • het personeel werkzaam in de diensten voor longziekten en infectieziekten;
    • het personeel werkzaam in andere diensten waar patiënten met Covid-19 zijn opgenomen;
    • personeelsleden die diagnostische of therapeutische handelingen hebben uitgevoerd bij patiënten  die besmet of mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2;
  • het personeel werkzaam in andere ziekenhuisdiensten en in verzorgingsinstellingen waar zich een uitbraak van COVID-19 heeft voorgedaan (twee of meer gevallen binnen een periode van maximum twee weken); woonzorgcentra, rusthuizen en collectieve woonvormen voor zieken en personen met een handicap worden gelijkgesteld met verzorgingsinstellingen.

In de voornoemde diensten en instellingen gaat het over het medisch en paramedisch personeel dat patiënten behandelt of verzorgt en het logistiek en schoonmaakpersoneel dat instaat voor onderhoud of reiniging van besmette toestellen of lokalen.

Als er zich in de instelling dus een uitbraak heeft voorgedaan, komen ook de medewerkers van het medisch secretariaat in aanmerking.

Medewerkers van een medisch huis (wijkgezondheidscentra)?

Ja, loontrekkenden die in de periode van de lockdown (van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020) aan het werk waren in de “cruciale sectoren en de essentiële diensten” en die daarbij besmet zijn geraakt met COVID-19 (gediagnosticeerd door middel van een laboratoriumtest) komen in aanmerking voor een schadeloosstelling wegens beroepsziekte. Het gaat specifiek om werknemers die geen telewerk konden verrichten of niet steeds 1,5 meter afstand konden houden door de aard van hun job. 

Voor besmettingen buiten de periode van de lockdown geldt dat gevallen van Covid-19 bij personeelsleden die patiënten behandelen of verzorgen en die niet onder een van de genoemde categorieën vallen kunnen voor erkenning in aanmerking komen als de ziekte in verband kan worden gebracht met een gedocumenteerd professioneel contact met één of meer Covid-19-patiënt(en).

Fedris volgt de evolutie van de epidemie op de voet en zal zijn beleid, indien nodig, bijsturen aan de hand van nieuwe informatie die beschikbaar komt. 

Medewerkers van schakelzorgcentra?

Ja, loontrekkenden die in de periode van de lockdown (van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020) aan het werk waren in de “cruciale sectoren en de essentiële diensten” en die daarbij besmet zijn geraakt met COVID-19 (gediagnosticeerd door middel van een laboratoriumtest) komen in aanmerking voor een schadeloosstelling wegens beroepsziekte. Het gaat specifiek om werknemers die geen telewerk konden verrichten of niet steeds 1,5 meter afstand konden houden door de aard van hun job. 

Voor besmettingen buiten de periode van de lockdown blijft volgende regeling geldig:

Personeelsleden met COVID-19 die werkzaam zijn in de gezondheidszorg en die een duidelijk verhoogd risico lopen om besmet te worden door het virus, komen in aanmerking voor schadeloosstelling wegens beroepsziekte als de infectie medisch in verband kan staan met de risicodragende beroepsactiviteit. Dit geldt ook voor leerlingen en studenten die stage lopen.

In de huidige context van de COVID-19-pandemie kan een duidelijk verhoogd risico worden aanvaard in de volgende gevallen:

Personeel dat bepaalde activiteiten uitvoert

  • het personeel dat instaat voor het vervoer van patiënten die besmet of mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2; (‘mogelijk besmette patiënten’ zijn personen met nieuwe klachten van een acute bovenste of onderste luchtweginfectie of met verergering van chronische respiratoire klachten)
  • het personeel van triageposten die specifiek zijn opgezet om patiënten te onderzoeken die mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2;
  • personeelsleden die, met het oog op diagnosestelling, onderzoeken uitvoeren of klinische stalen afnemen bij patiënten die mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2;
  • laboranten die manipulaties in open fase uitvoeren met klinische stalen van verdachte of bevestigde gevallen ter analyse van een SARS-CoV-2 besmetting.

Personeel werkzaam in ziekenhuizen en verzorgingsinstellingen

  • in de ziekenhuizen:
    • het personeel werkzaam in spoeddiensten en diensten voor intensieve zorgen;
    • het personeel werkzaam in de diensten voor longziekten en infectieziekten;
    • het personeel werkzaam in andere diensten waar patiënten met Covid-19 zijn opgenomen;
    • personeelsleden die diagnostische of therapeutische handelingen hebben uitgevoerd bij patiënten  die besmet of mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2;
  • het personeel werkzaam in andere ziekenhuisdiensten en in verzorgingsinstellingen waar zich een uitbraak van COVID-19 heeft voorgedaan (twee of meer gevallen binnen een periode van maximum twee weken); woonzorgcentra, rusthuizen en collectieve woonvormen voor zieken en personen met een handicap worden gelijkgesteld met verzorgingsinstellingen.

In de voornoemde diensten en instellingen gaat het over het medisch en paramedisch personeel dat patiënten behandelt of verzorgt en het logistiek en schoonmaakpersoneel dat instaat voor onderhoud of reiniging van besmette toestellen of lokalen.

De schakelzorgcentra worden hierbij door Fedris gelijk gesteld met ziekenhuizen. 

Medewerkers van medische laboratoria (werken met besmette stalen)?

Ja, loontrekkenden met COVID-19 die werkzaam zijn in de gezondheidszorg en die een duidelijk verhoogd risico lopen om besmet te worden door het virus, komen in aanmerking voor schadeloosstelling wegens beroepsziekte als de infectie medisch in verband kan staan met de risicodragende beroepsactiviteit. Dit geldt ook voor leerlingen en studenten die stage lopen.

In de huidige context van de COVID-19-pandemie kan een duidelijk verhoogd risico worden aanvaard in de volgende gevallen:

Personeel dat bepaalde activiteiten uitvoert

  • het personeel dat instaat voor het vervoer van patiënten die besmet of mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2; (‘mogelijk besmette patiënten’ zijn personen met nieuwe klachten van een acute bovenste of onderste luchtweginfectie of met verergering van chronische respiratoire klachten)
  • het personeel van triageposten die specifiek zijn opgezet om patiënten te onderzoeken die mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2;
  • personeelsleden die, met het oog op diagnosestelling, onderzoeken uitvoeren of klinische stalen afnemen bij patiënten die mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2;
  • laboranten die manipulaties in open fase uitvoeren met klinische stalen van verdachte of bevestigde gevallen ter analyse van een SARS-CoV-2 besmetting.

Onthaalouders/medewerkers van een kinderdagverblijf?

Ja, loontrekkenden die in de periode van de lockdown (van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020) aan het werk waren in de “cruciale sectoren en de essentiële diensten” en die daarbij besmet zijn geraakt met COVID-19 (gediagnosticeerd door middel van een laboratoriumtest) komen in aanmerking voor een schadeloosstelling wegens beroepsziekte. Het gaat specifiek om werknemers die geen telewerk konden verrichten of niet steeds 1,5 meter afstand konden houden door de aard van hun job. 

Voor besmettingen buiten de periode van de lockdown geldt dat ze in aanmerking komen op voorwaarde dat er zich op hun werkplaats een uitbraak van COVID-19 (twee of meer gevallen binnen een periode van maximum twee weken) heeft voorgedaan. Zij vallen in dat geval binnen de categorie “personeel werkzaam in andere diensten en verzorgingsinstellingen waar zich een uitbraak van COVID-19 heeft voorgedaan”. Het moet dan gaan om een risico dat uitgaat van besmette kinderen, niet van de collega's. Anders is het geen beroepsrisico.

Fedris volgt de evolutie van de epidemie op de voet en zal zijn beleid, indien nodig, bijsturen aan de hand van nieuwe informatie die beschikbaar komt.

Medewerkers van de buitenschoolse opvang?

Ja, personeelsleden die in de periode van de lockdown (van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020) aan het werk waren in de “cruciale sectoren en de essentiële diensten” en die daarbij besmet zijn geraakt met COVID-19 (gediagnosticeerd door middel van een laboratoriumtest) komen in aanmerking voor een schadeloosstelling wegens beroepsziekte. Het gaat specifiek om werknemers die geen telewerk konden verrichten of niet steeds 1,5 meter afstand konden houden door de aard van hun job. 

Wie niet in de gezondheidssector werkt, kan eventueel erkend worden via het ‘open systeem’. Deze personen moeten niet alleen blootgesteld zijn aan het beroepsrisico van de ziekte, zij moeten bovendien bewijzen dat de ziekte haar rechtstreekse en determenirende oorzaak vindt in de beroepsuitoefening, d.w.z. dat zij de ziekte daadwerkelijk hebben opgelopen door hun werk.

De aanvrager hoeft niet aan te geven via welk systeem hij erkend wil worden. Fedris zal dat zelf uitmaken en zo nodig bijkomende vragen stellen.

Belangrijk om te weten is dat in het „open systeem” de werkelijke oorzaak van de ziekte moet worden aangetoond, in het individuele geval van de aanvrager, en niet louter het bestaan van een beroepsrisico op een collectief niveau: de aanvrager zal dus moeten aantonen dat hij COVID-19 wel degelijk in het kader van zijn beroepsactiviteiten heeft opgelopen, rekening houdende met alle feitelijke omstandigheden (zijn gezondheidstoestand, de concrete arbeidsomstandigheden), en niet buiten de werksfeer (bijvoorbeeld tijdens het winkelen, bij het gebruik van het openbaar vervoer of door sociale contacten).

Hij moet met andere woorden niet de mogelijkheid van besmetting in het kader van beroepsactiviteiten aantonen, maar wel de zekerheid dat die besmetting in dat kader heeft plaatsgevonden.

Die zekerheid valt moeilijk aan te tonen, aangezien het virus zich tussen mensen verspreidt via kleine druppels die vrijkomen bij hoesten of niezen; op die manier komt het virus terecht in de lucht, op voorwerpen en oppervlakken en kan het iedereen besmetten die de druppeltjes inademt of op de handen krijgt en nadien zijn mond, neus of ogen aanraakt.

De erkenning van COVID-19 in het raam van de regeling voor beroepsrisico’s kan, voor de gevallen die niet op de lijst van beroepsziekten staan, ook overwogen worden in het vergoedingsstelsel voor arbeidsongevallen. 

Coronavirusbesmetting kan immers ook het gevolg zijn van een plotselinge gebeurtenis, dat wil zeggen een in de tijd beperkt contact met een besmet persoon of een besmet oppervlak binnen de werksfeer. Wie aanspraak wil maken op de erkenning als slachtoffer van een arbeidsongeval, moet het bewijs leveren van het optreden van de plotselinge gebeurtenis, van het letsel en van het feit dat hij wel degelijk aan het werken was, in het kader van zijn arbeidsovereenkomst, en dus onder het gezag van zijn werkgever stond, op het ogenblik van de feiten. 

Als het slachtoffer erin slaagt het bewijs van die drie elementen te leveren, is er een vermoeden dat het letsel verband houdt met het ongeval en dat het wel degelijk wegens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst is dat de plotse gebeurtenis is opgetreden. In dat geval is wel degelijk sprake van een arbeidsongeval; het is aan de wetsverzekeraar om één van de vermoedens te weerleggen.

Concreet moet het slachtoffer aantonen dat hij:

•in contact kwam met een besmet persoon of een besmet oppervlak (gelet op de wijze van besmetting, namelijk via druppeltjes) tijdens de uitvoering van zijn werk, en

•COVID-19 heeft opgelopen, waarbij de datum van objectivering viel binnen de normale incubatieperiode na dat bewuste contact. 

De erkenning als beroepsziekte van een ziekte die niet op de lijst van beroepsziekten staat, vereist dat het slachtoffer aantoont dat die ziekte daadwerkelijk is veroorzaakt door blootstelling aan de schadelijke invloed; de erkenning als arbeidsongeval daarentegen vereist dat het slachtoffer het bestaan van een plotselinge gebeurtenis (contact met het virus) en een letsel (COVID-19) aantoont; er is dan een vermoeden van oorzakelijk verband tussen beide elementen, en dit tot het bewijs van het tegendeel, nl. tot de verzekeraar aantoont dat er zich geen plotselinge gebeurtenis heeft voorgedaan of dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen het letsel en het plotselinge voorval.

Opgelet: Fedris staat in voor de verzekering tegen beroepsziekten van werknemers in de privésector, van stagiairs en van personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (provincies, steden, gemeenten, OCMW’s, intercommunales). Personeelsleden van andere overheden (federale overheid, Gewesten, Gemeenschappen) worden niet door Fedris verzekerd. Zij moeten hun aanvraag bij hun werkgever (de overheidsdienst) indienen, volgens de voorgeschreven procedure. 

Fedris volgt de evolutie van de epidemie op de voet en zal zijn beleid, indien nodig, bijsturen aan de hand van nieuwe informatie die beschikbaar komt.

Politieagenten?

Politieagenten maken deel uit van de “cruciale sectoren en de essentiële diensten” en kunnen dus, voor zo ver ze werkzaam waren tussen 18 maart 2020 en 17 mei 2020 en in die periode besmet zijn, aanspraak maken op de erkenning van COVID-19 als beroepsziekte via code 1.404.04 van de lijst van erkende beroepsziekten (elke ziekte veroorzaakt door SARS-CoV-2 bij  werknemers die in de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020 beroepsactiviteiten hebben uitgeoefend in bedrijven van de cruciale sectoren en de essentiële diensten, voor zover het optreden van de ziekte wordt vastgesteld in de periode van 20 maart 2020 tot en met 31 mei 2020), 

Politieagenten die buiten deze periode besmet werden, kunnen eventueel erkend worden via het ‘open systeem’. Deze personen moeten niet alleen blootgesteld zijn aan het beroepsrisico van de ziekte, zij moeten bovendien bewijzen dat de ziekte haar rechtstreekse en determinerende oorzaak vindt in de beroepsuitoefening, d.w.z. dat zij de ziekte daadwerkelijk hebben opgelopen door hun werk. 

De aanvrager hoeft niet aan te geven via welk systeem hij erkend wil worden. Fedris zal dat zelf uitmaken en zo nodig bijkomende vragen stellen.

Belangrijk om te weten is dat in het „open systeem” de werkelijke oorzaak van de ziekte moet worden aangetoond, in het individuele geval van de aanvrager, en niet louter het bestaan van een beroepsrisico op een collectief niveau: de aanvrager zal dus moeten aantonen dat hij COVID-19 wel degelijk in het kader van zijn beroepsactiviteiten heeft opgelopen, rekening houdende met alle feitelijke omstandigheden (zijn gezondheidstoestand, de concrete arbeidsomstandigheden), en niet buiten de werksfeer (bijvoorbeeld tijdens het winkelen, bij het gebruik van het openbaar vervoer of door sociale contacten).

Hij moet met andere woorden niet de mogelijkheid van besmetting in het kader van beroepsactiviteiten aantonen, maar wel de zekerheid dat die besmetting in dat kader heeft plaatsgevonden.

Die zekerheid valt moeilijk aan te tonen, aangezien het virus zich tussen mensen verspreidt via kleine druppels die vrijkomen bij hoesten of niezen; op die manier komt het virus terecht in de lucht, op voorwerpen en oppervlakken en kan het iedereen besmetten die de druppeltjes inademt of op de handen krijgt en nadien zijn mond, neus of ogen aanraakt.

De erkenning van COVID-19 in het raam van de regeling voor beroepsrisico’s kan, voor de gevallen die niet op de lijst van beroepsziekten staan, ook overwogen worden in het vergoedingsstelsel voor arbeidsongevallen. 

Coronavirusbesmetting kan immers ook het gevolg zijn van een plotselinge gebeurtenis, dat wil zeggen een in de tijd beperkt contact met een besmet persoon of een besmet oppervlak binnen de werksfeer. Wie aanspraak wil maken op de erkenning als slachtoffer van een arbeidsongeval, moet het bewijs leveren van het optreden van de plotselinge gebeurtenis, van het letsel en van het feit dat hij wel degelijk aan het werken was, in het kader van zijn arbeidsovereenkomst, en dus onder het gezag van zijn werkgever stond, op het ogenblik van de feiten. 

Als het slachtoffer erin slaagt het bewijs van die drie elementen te leveren, is er een vermoeden dat het letsel verband houdt met het ongeval en dat het wel degelijk wegens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst is dat de plotse gebeurtenis is opgetreden. In dat geval is wel degelijk sprake van een arbeidsongeval; het is aan de wetsverzekeraar om één van de vermoedens te weerleggen.

Concreet moet het slachtoffer aantonen dat hij:

•in contact kwam met een besmet persoon of een besmet oppervlak (gelet op de wijze van besmetting, namelijk via druppeltjes) tijdens de uitvoering van zijn werk, en

•COVID-19 heeft opgelopen, waarbij de datum van objectivering viel binnen de normale incubatieperiode na dat bewuste contact. 

De erkenning als beroepsziekte van een ziekte die niet op de lijst van beroepsziekten staat, vereist dat het slachtoffer aantoont dat die ziekte daadwerkelijk is veroorzaakt door blootstelling aan de schadelijke invloed; de erkenning als arbeidsongeval daarentegen vereist dat het slachtoffer het bestaan van een plotselinge gebeurtenis (contact met het virus) en een letsel (COVID-19) aantoont; er is dan een vermoeden van oorzakelijk verband tussen beide elementen, en dit tot het bewijs van het tegendeel, nl. tot de verzekeraar aantoont dat er zich geen plotselinge gebeurtenis heeft voorgedaan of dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen het letsel en het plotselinge voorval.

Besmette agenten kunnen dus een aanvraag tot schadeloosstelling indienen bij Fedris, op voorwaarde dat ze in dienst zijn bij een plaatselijke of provinciale overheid, Fedris is immers bevoegd om voor deze overheidsdiensten het onderzoek van de aanvraag te verrichten. 

Voor de federale politie is Fedris niet bevoegd. Hun aanvragen moeten ingediend worden bij bevoegde gezondheidsdienst (meestal Medex). 

Fedris volgt de evolutie van de epidemie op de voet en zal zijn beleid, indien nodig, bijsturen aan de hand van nieuwe informatie die beschikbaar komt. Alle nieuwe informatie hieromtrent zal beschikbaar gemaakt worden op onze website.

Brandweerlieden en ambulanciers van de hulpverleningszones?

Ja, personeelsleden die in de periode van de lockdown (van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020) aan het werk waren in de “cruciale sectoren en de essentiële diensten” en die daarbij besmet zijn geraakt met COVID-19 (gediagnosticeerd door middel van een laboratoriumtest) komen in aanmerking voor een schadeloosstelling wegens beroepsziekte. Het gaat specifiek om werknemers die geen telewerk konden verrichten of niet steeds 1,5 meter afstand konden houden door de aard van hun job. Brandweerlieden en ambulanciers maken deel uit van deze “cruciale sectoren en de essentiële diensten”.

Voor besmettingen buiten de periode van de lockdown blijft volgende regeling geldig:

Personeelsleden met COVID-19 die werkzaam zijn in de gezondheidszorg en die een duidelijk verhoogd risico lopen om besmet te worden door het virus, komen in aanmerking voor schadeloosstelling wegens beroepsziekte als de infectie medisch in verband kan staan met de risicodragende beroepsactiviteit. Dit geldt ook voor leerlingen en studenten die stage lopen.

In de huidige context van de COVID-19-pandemie kan een duidelijk verhoogd risico worden aanvaard in de volgende gevallen:

Personeel dat bepaalde activiteiten uitvoert

  • het personeel dat instaat voor het vervoer van patiënten die besmet of mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2; (‘mogelijk besmette patiënten’ zijn personen met nieuwe klachten van een acute bovenste of onderste luchtweginfectie of met verergering van chronische respiratoire klachten)
  • het personeel van triageposten die specifiek zijn opgezet om patiënten te onderzoeken die mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2;
  • personeelsleden die, met het oog op diagnosestelling, onderzoeken uitvoeren of klinische stalen afnemen bij patiënten die mogelijk besmet zijn met SARS-CoV-2;
  • laboranten die manipulaties in open fase uitvoeren met klinische stalen van verdachte of bevestigde gevallen ter analyse van een SARS-CoV-2 besmetting.

Ambulanciers die buiten de lockdown besmet zijn geraakt komen via deze regeling dus ook in aanmerking voor een erkenning. Brandweerlieden die buiten deze periode besmet werden, kunnen eventueel erkend worden via het ‘open systeem’. Deze personen moeten niet alleen blootgesteld zijn aan het beroepsrisico van de ziekte, zij moeten bovendien bewijzen dat de ziekte haar rechtsreekse en determinerende oorzaak vindt in de beroepsuitoefening, d.w.z. dat zij de ziekte daadwerkelijk hebben opgelopen door hun werk. 

De aanvrager hoeft niet aan te geven via welk systeem hij erkend wil worden. Fedris zal dat zelf uitmaken en zo nodig bijkomende vragen stellen.

Belangrijk om te weten is dat in het „open systeem” de werkelijke oorzaak van de ziekte moet worden aangetoond, in het individuele geval van de aanvrager, en niet louter het bestaan van een beroepsrisico op een collectief niveau: de aanvrager zal dus moeten aantonen dat hij COVID-19 wel degelijk in het kader van zijn beroepsactiviteiten heeft opgelopen, rekening houdende met alle feitelijke omstandigheden (zijn gezondheidstoestand, de concrete arbeidsomstandigheden), en niet buiten de werksfeer (bijvoorbeeld tijdens het winkelen, bij het gebruik van het openbaar vervoer of door sociale contacten).

Hij moet met andere woorden niet de mogelijkheid van besmetting in het kader van beroepsactiviteiten aantonen, maar wel de zekerheid dat die besmetting in dat kader heeft plaatsgevonden.

Die zekerheid valt moeilijk aan te tonen, aangezien het virus zich tussen mensen verspreidt via kleine druppels die vrijkomen bij hoesten of niezen; op die manier komt het virus terecht in de lucht, op voorwerpen en oppervlakken en kan het iedereen besmetten die de druppeltjes inademt of op de handen krijgt en nadien zijn mond, neus of ogen aanraakt.

De erkenning van COVID-19 in het raam van de regeling voor beroepsrisico’s kan, voor de gevallen die niet op de lijst van beroepsziekten staan, ook overwogen worden in het vergoedingsstelsel voor arbeidsongevallen. 

Coronavirusbesmetting kan immers ook het gevolg zijn van een plotselinge gebeurtenis, dat wil zeggen een in de tijd beperkt contact met een besmet persoon of een besmet oppervlak binnen de werksfeer. Wie aanspraak wil maken op de erkenning als slachtoffer van een arbeidsongeval, moet het bewijs leveren van het optreden van de plotselinge gebeurtenis, van het letsel en van het feit dat hij wel degelijk aan het werken was, in het kader van zijn arbeidsovereenkomst, en dus onder het gezag van zijn werkgever stond, op het ogenblik van de feiten. 

Als het slachtoffer erin slaagt het bewijs van die drie elementen te leveren, is er een vermoeden dat het letsel verband houdt met het ongeval en dat het wel degelijk wegens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst is dat de plotse gebeurtenis is opgetreden. In dat geval is wel degelijk sprake van een arbeidsongeval; het is aan de wetsverzekeraar om één van de vermoedens te weerleggen.

Concreet moet het slachtoffer aantonen dat hij:

•in contact kwam met een besmet persoon of een besmet oppervlak (gelet op de wijze van besmetting, namelijk via druppeltjes) tijdens de uitvoering van zijn werk, en

•COVID-19 heeft opgelopen, waarbij de datum van objectivering viel binnen de normale incubatieperiode na dat bewuste contact. 

De erkenning als beroepsziekte van een ziekte die niet op de lijst van beroepsziekten staat, vereist dat het slachtoffer aantoont dat die ziekte daadwerkelijk is veroorzaakt door blootstelling aan de schadelijke invloed; de erkenning als arbeidsongeval daarentegen vereist dat het slachtoffer het bestaan van een plotselinge gebeurtenis (contact met het virus) en een letsel (COVID-19) aantoont; er is dan een vermoeden van oorzakelijk verband tussen beide elementen, en dit tot het bewijs van het tegendeel, nl. tot de verzekeraar aantoont dat er zich geen plotselinge gebeurtenis heeft voorgedaan of dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen het letsel en het plotselinge voorval.

Fedris volgt de evolutie van de epidemie op de voet en zal zijn beleid, indien nodig, bijsturen aan de hand van nieuwe informatie die beschikbaar komt.

Zelfstandigen (bv. zelfstandige thuisverpleegsters)?

Neen, zelfstandigen vallen niet onder het toepassingsgebied van de beroepsziektewetgeving en kunnen dus ook niet in aanmerking komen voor een schadeloosstelling van een beroepsziekte in het kader van Covid-19.

Buiten de gezondheidszorg (bv. huishoudhulp, voedingssector…)?

Ja, loontrekkenden die in de periode van de lockdown (van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020) aan het werk waren in de “cruciale sectoren en de essentiële diensten” en die daarbij besmet zijn geraakt met COVID-19 (gediagnosticeerd door middel van een laboratoriumtest) komen in aanmerking voor een schadeloosstelling wegens beroepsziekte. Het gaat specifiek om werknemers die geen telewerk konden verrichten of niet steeds 1,5 meter afstand konden houden door de aard van hun job. Dit geldt ook voor leerlingen en studenten die stage lopen.

Concreet gaat het om loontrekkenden:

  • tewerkgesteld in de gezondheidszorg die een duidelijk verhoogd risico lopen om besmet te worden door het virus (beroepsziektecode 1.404.03);
  • tewerkgesteld in de “cruciale sectoren en de essentiële diensten” die zijn opgenomen in de bijlage van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 (beroepsziektecode 1.404.04).

Wie niet in deze sectoren werkt, kan eventueel erkend worden via het ‘open systeem’. Deze personen moeten niet alleen blootgesteld zijn aan het beroepsrisico van de ziekte, zij moeten bovendien bewijzen dat zij de ziekte werkelijk door het werk hebben opgelopen.

De aanvrager hoeft niet aan te geven via welk systeem hij erkend wil worden. Fedris zal dat zelf uitmaken en zo nodig bijkomende vragen stellen.

Fedris staat in voor de verzekering tegen beroepsziekten van werknemers in de privésector, van stagiairs en van personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (provincies, steden, gemeenten, OCMW’s, intercommunales).

Personeelsleden van andere overheden (federale overheid, Gewesten, Gemeenschappen) worden niet door Fedris verzekerd. Zij moeten hun aanvraag bij hun werkgever (de overheidsdienst) indienen, volgens de voorgeschreven procedure.

Let op: ook wie een aanvraag tot schadeloosstelling bij Fedris indient, moet nog steeds een aangifte van arbeidsongeschiktheid indienen bij zijn werkgever en zijn ziekenfonds.

Fedris volgt de evolutie van de epidemie op de voet en zal zijn beleid, indien nodig, bijsturen aan de hand van nieuwe informatie die beschikbaar komt.

Leerlingen, studenten, stagiairs en leerjongeren?

Ja, leerlingen, studenten, stagiairs en leerjongeren die in de periode van de lockdown (van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020) aan het werk waren in de “cruciale sectoren en de essentiële diensten” en die besmet zijn geraakt met COVID-19 (gediagnosticeerd door middel van een laboratoriumtest) worden gelijkgesteld met werknemers en komen dus in aanmerking voor een schadeloosstelling wegens beroepsziekte. Het gaat specifiek om werknemers die geen telewerk konden verrichten of niet steeds 1,5 meter afstand konden houden door de aard van hun job.

Concreet gaat het om leerlingen, studenten, stagiairs en leerjongeren die stage lopen in:

  • de gezondheidszorg en die een duidelijk verhoogd risico lopen om besmet te worden door het virus (beroepsziektecode 1.404.03);
  • de “cruciale sectoren en de essentiële diensten” die zijn opgenomen in de bijlage van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 (beroepsziektecode 1.404.04).

Wie niet in deze sectoren werkt, kan eventueel erkend worden via het ‘open systeem’. Deze personen moeten niet alleen blootgesteld zijn aan het beroepsrisico van de ziekte, zij moeten bovendien bewijzen dat de ziekte haar rechtstreekse en determinerende oorzaak vindt in de beroepsuitoefening, d.w.z. dat zij de ziekte daadwerkelijk hebben opgelopen door hun werk. 

De aanvrager hoeft niet aan te geven via welk systeem hij erkend wil worden. Fedris zal dat zelf uitmaken en zo nodig bijkomende vragen stellen.

Belangrijk om te weten is dat in het „open systeem” de werkelijke oorzaak van de ziekte moet worden aangetoond, in het individuele geval van de aanvrager, en niet louter het bestaan van een beroepsrisico op een collectief niveau: de aanvrager zal dus moeten aantonen dat hij COVID-19 wel degelijk in het kader van zijn beroepsactiviteiten heeft opgelopen, rekening houdende met alle feitelijke omstandigheden (zijn gezondheidstoestand, de concrete arbeidsomstandigheden), en niet buiten de werksfeer (bijvoorbeeld tijdens het winkelen, bij het gebruik van het openbaar vervoer of door sociale contacten).

Hij moet met andere woorden niet de mogelijkheid van besmetting in het kader van beroepsactiviteiten aantonen, maar wel de zekerheid dat die besmetting in dat kader heeft plaatsgevonden.

Die zekerheid valt moeilijk aan te tonen, aangezien het virus zich tussen mensen verspreidt via kleine druppels die vrijkomen bij hoesten of niezen; op die manier komt het virus terecht in de lucht, op voorwerpen en oppervlakken en kan het iedereen besmetten die de druppeltjes inademt of op de handen krijgt en nadien zijn mond, neus of ogen aanraakt.

De erkenning van COVID-19 in het raam van de regeling voor beroepsrisico’s kan, voor de gevallen die niet op de lijst van beroepsziekten staan, ook overwogen worden in het vergoedingsstelsel voor arbeidsongevallen. 

Coronavirusbesmetting kan immers ook het gevolg zijn van een plotselinge gebeurtenis, dat wil zeggen een in de tijd beperkt contact met een besmet persoon of een besmet oppervlak binnen de werksfeer. Wie aanspraak wil maken op de erkenning als slachtoffer van een arbeidsongeval, moet het bewijs leveren van het optreden van de plotselinge gebeurtenis, van het letsel en van het feit dat hij wel degelijk aan het werken was, in het kader van zijn arbeidsovereenkomst, en dus onder het gezag van zijn werkgever stond, op het ogenblik van de feiten. 

Als het slachtoffer erin slaagt het bewijs van die drie elementen te leveren, is er een vermoeden dat het letsel verband houdt met het ongeval en dat het wel degelijk wegens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst is dat de plotse gebeurtenis is opgetreden. In dat geval is wel degelijk sprake van een arbeidsongeval; het is aan de wetsverzekeraar om één van de vermoedens te weerleggen.

Concreet moet het slachtoffer aantonen dat hij:

•in contact kwam met een besmet persoon of een besmet oppervlak (gelet op de wijze van besmetting, namelijk via druppeltjes) tijdens de uitvoering van zijn werk, en

•COVID-19 heeft opgelopen, waarbij de datum van objectivering viel binnen de normale incubatieperiode na dat bewuste contact. 

De erkenning als beroepsziekte van een ziekte die niet op de lijst van beroepsziekten staat, vereist dat het slachtoffer aantoont dat die ziekte daadwerkelijk is veroorzaakt door blootstelling aan de schadelijke invloed; de erkenning als arbeidsongeval daarentegen vereist dat het slachtoffer het bestaan van een plotselinge gebeurtenis (contact met het virus) en een letsel (COVID-19) aantoont; er is dan een vermoeden van oorzakelijk verband tussen beide elementen, en dit tot het bewijs van het tegendeel, nl. tot de verzekeraar aantoont dat er zich geen plotselinge gebeurtenis heeft voorgedaan of dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen het letsel en het plotselinge voorval.

Fedris volgt de evolutie van de epidemie op de voet en zal zijn beleid, indien nodig, bijsturen aan de hand van nieuwe informatie die beschikbaar komt.

Vrijwilligers?

Vrijwilligers vallen niet onder het toepassingsgebied van de beroepsziektewetgeving omdat ze geen beroepsactiviteit uitoefenen en kunnen dus ook niet in aanmerking komen voor een schadeloosstelling van een beroepsziekte wegens COVID-19.

De organisaties die op hen een beroep doen, kunnen echter een (gratis) vrijwilligersverzekering afsluiten om hen te beschermen in geval van burgerrechtelijke aansprakelijkheid en lichamelijke ongevallen. Ze moeten dus met de betrokken organisatie bespreken welke verzekeringen er werden afgesloten en in hoeverre hun risico erdoor gedekt wordt.

Veel van de medische kosten omwille van een COVID-19 besmetting worden vergoed door de ziekteverzekering, zonder dat er remgeld betaald moet worden. Het gaat bijvoorbeeld om telefonische raadplegingen van de huisarts, de labotest, onderzoeken in triagecentra en bepaalde prestaties bij een ziekenhuisopname wegens COVID-19.

De overheid heeft daarnaast een Schadeloosstellingsfonds opgericht om de nabestaanden te vergoeden van vrijwilligers die in de periode van de Coronacrisis (1 maart 2020 tot en met 30 juni 2020) buitenshuis aan vrijwilligerswerk deden en die zijn overleden aan de gevolgen van COVID-19.

Personen die niet besmet zijn, maar wel verwijderd werden van hun werkplek?

Nee, personen die niet besmet zijn met Covid-19 komen niet in aanmerking voor een schadeloosstelling door Fedris naar aanleiding van een beroepsziekte omdat zij de ziekte niet hebben opgelopen. Voor het bekomen van een erkenning zijn de laboratoriumuitslagen die de infectie door het SARS-CoV-2-virus aantonen absoluut noodzakelijk.

Vallen personen die men niet wil testen uit de boot?

De SARS-CoV-2 infectie moet worden aangetoond door middel van een betrouwbare laboratoriumtest. In uitzonderlijke, ernstige gevallen zal de arts van Fedris de diagnose op andere gronden kunnen aanvaarden, bijvoorbeeld op basis van een suggestieve klinische presentatie en een compatibele CT-thorax.

Zowel een positieve PCR-test, het aantonen van het virus-antigeen of het aantonen van antistoffen tegen het virus kan een betrouwbare laboratoriumtest zijn. De betekenis van de test in de context van een concrete aanvraag zal door de arts van Fedris  beoordeeld worden.

De laboresultaten zijn noodzakelijk omdat er een bewijs moet zijn van de ziekte en niet enkel een vermoeden. Er zijn andere ziekten met vergelijkbare symptomen, bijvoorbeeld griep, die niet erkend worden als een beroepsziekte.

 

Inlichtingen voor werkgevers en artsen

Is Covid-19 opgenomen in de lijst van beroepsziekten?

COVID-19 bij het personeel in de gezondheidssector kan via de beroepsziektelijst erkend worden onder code 1.404.03 van de lijst van erkende beroepsziekten (andere infectieziekten bij de leden van het personeel dat werkzaam is op het gebied van de preventieve gezondheidszorg, geneeskundige verzorging, verpleging aan huis of laboratoriumwerk en andere professionele activiteiten in verzorgingsinstellingen waar een verhoogd infectierisico bestaat).

COVID-19 bij het personeel in de “cruciale sectoren en de essentiële diensten”, die werkzaam waren tussen 18 maart 2020 en 17 mei 2020 kan via de beroepsziektelijst erkend worden onder code 1.404.04 van de lijst van erkende beroepsziekten (elke ziekte veroorzaakt door SARS-CoV-2 bij  werknemers die in de periode van 18 maart 2020 tot en met 17 mei 2020 beroepsactiviteiten hebben uitgeoefend in bedrijven van de cruciale sectoren en de essentiële diensten, voor zover het optreden van de ziekte wordt vastgesteld in de periode van 20 maart 2020 tot en met 31 mei 2020).

Wie niet in deze sectoren werkt, kan eventueel erkend worden via het ‘open systeem’. Deze personen moeten niet alleen blootgesteld zijn aan het beroepsrisico van de ziekte, zij moeten bovendien bewijzen dat de ziekte haar rechtstreekse en determinerende oorzaak vindt in de beroepsuitoefening, d.w.z. dat zij de ziekte daadwerkelijk hebben opgelopen door hun werk. 

De aanvrager hoeft niet aan te geven via welk systeem hij erkend wil worden. Fedris zal dat zelf uitmaken en zo nodig bijkomende vragen stellen.

Belangrijk om te weten is dat in het „open systeem” de werkelijke oorzaak van de ziekte moet worden aangetoond, in het individuele geval van de aanvrager, en niet louter het bestaan van een beroepsrisico op een collectief niveau: de aanvrager zal dus moeten aantonen dat hij COVID-19 wel degelijk in het kader van zijn beroepsactiviteiten heeft opgelopen, rekening houdende met alle feitelijke omstandigheden (zijn gezondheidstoestand, de concrete arbeidsomstandigheden), en niet buiten de werksfeer (bijvoorbeeld tijdens het winkelen, bij het gebruik van het openbaar vervoer of door sociale contacten).

Hij moet met andere woorden niet de mogelijkheid van besmetting in het kader van beroepsactiviteiten aantonen, maar wel de zekerheid dat die besmetting in dat kader heeft plaatsgevonden.

Die zekerheid valt moeilijk aan te tonen, aangezien het virus zich tussen mensen verspreidt via kleine druppels die vrijkomen bij hoesten of niezen; op die manier komt het virus terecht in de lucht, op voorwerpen en oppervlakken en kan het iedereen besmetten die de druppeltjes inademt of op de handen krijgt en nadien zijn mond, neus of ogen aanraakt.

De erkenning van COVID-19 in het raam van de regeling voor beroepsrisico’s kan, voor de gevallen die niet op de lijst van beroepsziekten staan, ook overwogen worden in het vergoedingsstelsel voor arbeidsongevallen. 

Coronavirusbesmetting kan immers ook het gevolg zijn van een plotselinge gebeurtenis, dat wil zeggen een in de tijd beperkt contact met een besmet persoon of een besmet oppervlak binnen de werksfeer. Wie aanspraak wil maken op de erkenning als slachtoffer van een arbeidsongeval, moet het bewijs leveren van het optreden van de plotselinge gebeurtenis, van het letsel en van het feit dat hij wel degelijk aan het werken was, in het kader van zijn arbeidsovereenkomst, en dus onder het gezag van zijn werkgever stond, op het ogenblik van de feiten. 

Als het slachtoffer erin slaagt het bewijs van die drie elementen te leveren, is er een vermoeden dat het letsel verband houdt met het ongeval en dat het wel degelijk wegens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst is dat de plotse gebeurtenis is opgetreden. In dat geval is wel degelijk sprake van een arbeidsongeval; het is aan de wetsverzekeraar om één van de vermoedens te weerleggen.

Concreet moet het slachtoffer aantonen dat hij:

•in contact kwam met een besmet persoon of een besmet oppervlak (gelet op de wijze van besmetting, namelijk via druppeltjes) tijdens de uitvoering van zijn werk, en

•COVID-19 heeft opgelopen, waarbij de datum van objectivering viel binnen de normale incubatieperiode na dat bewuste contact. 

De erkenning als beroepsziekte van een ziekte die niet op de lijst van beroepsziekten staat, vereist dat het slachtoffer aantoont dat die ziekte daadwerkelijk is veroorzaakt door blootstelling aan de schadelijke invloed; de erkenning als arbeidsongeval daarentegen vereist dat het slachtoffer het bestaan van een plotselinge gebeurtenis (contact met het virus) en een letsel (COVID-19) aantoont; er is dan een vermoeden van oorzakelijk verband tussen beide elementen, en dit tot het bewijs van het tegendeel, nl. tot de verzekeraar aantoont dat er zich geen plotselinge gebeurtenis heeft voorgedaan of dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen het letsel en het plotselinge voorval.

Worden de kosten van de arbeidsarts terugbetaald aan de werkgever?

Neen, zoals voor alle andere ziekten die zich voordoen in een bedrijf komt Fedris niet tussen in de kosten van de arbeidsarts. Welzijn en veiligheid op het werk zijn een verplichting voor de werkgever die, overeenkomstig de codex voor welzijn op het werk, over een interne of externe arbeidsgeneeskundige dienst moet beschikken.

Krijgt de werkgever het gewaarborgd loon terugbetaald?

Ja, het bedrag van de vergoeding dat aan de getroffen werknemer wordt betaald, wordt verminderd met het gewaarborgd loon en dat wordt aan de werkgever terugbetaald. Fedris informeert de werkgever automatisch over zijn recht op terugvordering van het gewaarborgd loon bij een positieve beslissing.

Is een collectieve of vereenvoudigde aangifte mogelijk?

Een collectieve aanvraag is in geen geval mogelijk, de handtekening van het slachtoffer is altijd noodzakelijk. Er wordt wel een leidraad voorbereid voor een vereenvoudigde aanvraag, waarbij enkel de noodzakelijke velden van het formulier ingevuld zullen moeten worden.

 

Covid-19 Vrijwilligersfonds voor overleden vrijwilligers

Wat doet het Covid-19 Vrijwilligersfonds?

Het Covid-19 Vrijwilligersfonds keert een vergoeding uit aan de nabestaanden van vrijwilligers of jobstudenten die tijdens de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 juni 2020 buitenshuis vrijwilligerswerk deden en die zijn overleden aan de gevolgen van COVID-19. Ook bij overlijden na 30 juni kan nog een vergoeding worden uitgekeerd op voorwaarde dat het bewijs van besmetting door COVID-19 voor 1 juli werd vastgelegd.

Het is mogelijk dat deze periode verlengd wordt  in het licht van de ontwikkeling van de gezondheidstoestand.

Het beheer van het Covid-19 Vrijwilligersfonds is aan Fedris toevertrouwd.

Wie kan een vergoeding aanvragen?

Er zijn vergoedingen voor de partner, de ex-partner die onderhoudsgeld ontvangt, de kinderen die nog steeds kinderbijslag ontvangen en de persoon die begrafeniskosten heeft betaald.

De aanvraag moet gedaan worden door één van deze personen. Fedris zal een onderzoek opstarten en – bij erkenning -  alle rechthebbenden vergoeden.

Hoe een vergoeding aanvragen?

Om een vergoeding aan te vragen moet u zelf deel 1 van het formulier “Aanvraag voor schadeloosstelling wegens overlijden als gevolg van Covid-19” invullen. Deel 2 van dit formulier moet u door een arts naar keuze laten invullen.

Gezien de huidige gezondheidssituatie raden we u aan om de aanvragen via e-mail in te dienen met de documenten als bijlage in pdf-formaat via volgend e-mailadres: beroepsziekteatfedris.be

Het is hierbij belangrijk om enkel gebruik te maken van documenten in pdf-formaat, van voldoende kwaliteit (geen foto’s genomen met een smartphone of iets dergelijks). Alternatieven van onvoldoende kwaliteit of die te ‘zwaar’ zijn zullen wij niet kunnen aanvaarden.

Mogen we u ook vragen, voor de vlotte afhandeling van uw aanvraag, om een aparte pdf te voorzien per document.

Indien dit niet mogelijk is, blijft het versturen van de formulieren met de post naar het Covid-19 Vrijwilligersfonds (Sterrenkundelaan 1, 1210 Brussel). uiteraard een optie.

Wat is het bedrag van de vergoedingen?

De vergoeding na overlijden is een eenmalige som, waarvan het bedrag afhankelijk is van de verhouding tussen de overleden vrijwilliger en de rechthebbende :

  • De partner : 18.651 euro
  • De ex-partner die onderhoudsgeld ontvangt : 9.325,50 euro
  • De kinderen die nog steeds kinderbijslag ontvangen: 15.542,50 euro

Er is ook een maximum tegemoetkoming van 1.020 euro voor de begrafeniskosten voor degene die deze kosten heeft betaald.

Opgelet : Indien de met COVID-19 besmette vrijwilliger ziek is (geweest) zonder te overlijden, professioneel actief is (was) en niet in staat was om te werken, zal het inkomensverlies gedekt worden door het gewaarborgd loon of de sociale zekerheid. Zijn gezondheidszorgen worden gedekt door de verplichte ziekteverzekering.

 
Disclaimer:

Deze rubriek heeft als doel u zo goed mogelijk te informeren over uw kansen (of die van uw patiënt of personeelslid) op erkenning van een SARS-CoV-2 besmetting als een beroepsziekte in de zin der wet. Het onderzoek van een concrete aanvraag tot schadeloosstelling kan complex zijn, waarbij vele, medische en niet-medische, factoren een rol spelen. Een grondige evaluatie van het recht op schadeloosstelling kan pas gebeuren op basis van het volledige dossier. 

De antwoorden houden dan ook geen garantie in op enig resultaat van het onderzoek van uw aanvraagdossier, noch mag dit antwoord u overtuigen om géén aanvraag tot schadeloosstelling in te dienen. Covid-19 is een nieuwe ziekte. De wetenschappelijke kennis erover evolueert zeer snel. Fedris volgt deze evolutie op de voet op en zal zijn richtlijnen en criteria indien nodig aanpassen. Volg daarom aandachtig de berichtgeving op onze website.